F Trappen van vergelijking.
Ook in ons dialect komen drie trappen van vergelijking voor:
- -- stellend - knap
- -- vergrotend - knapper
- -- overtreffend - knapste
In tegenstelling tot het Nederlands komt na een vergrotende trap altijd -as- in plaats van -dan- : - ons vrouw is knapper as de buervrouw. Ons dialect heeft daarin de oude vorm van het Nederlands bewaard, want in de zestiende eeuw was 'als' na een vergrotende trap de norm. De overtreffende trap krijgt altijd een toegevoegde -e, dus 'knapste' in plaats van 'knapst': - in ons buert is Mieke'n ut knapste.
Voorts kennen we dezelfde uitzonderingen als in onze standaardtaal:
- - goehd behter beste goed
- - gaehr liever liefste graag
- - veul meer miste veel
- - waennig minder minste weinig
Vallekeswirdse klinkerwisseling.
In het Vallekeswirds hebben wij een paar uitzonderingen extra vanwege klinkerwisseling:
- - brihd brejer breeste breed
- - duur duerder duerste duur
- - fehn fender fenste fijn (tegengestelde van grof)
- - groht grótter grótste groot *
- - hiht hitter hitste heet
- - klaehn klaenner klaenste klein
- - koai kôier kôiste kwaad **
- - slaehcht slechter slechste slecht
- - staehrik sterriker sterrikste sterk
- - wehd wijer wedste ver (wijd)
Het woordje 'ver' verliest in de vergrotende trap de -r: - vaer - vaedder - vaerste. Voor 'vaak/dikwijls' kennen wij: - dik - dikkelder - dikste.
* een belangrijke variant is grutter en grutste. Een mooi Brabants gezegde in dit verband is 'de lompste boere hebbe de grutste aehrepel'. ['De domste boeren hebben de grootste aardappelen’ en de betekenis laat zich raden].
** dit is de verbuiging van kwaad in de betekenis van boos. Net als in het Nederlands kan ook -erg/slecht- worden bedoeld: - ut is un koai vurötzicht as ge geopereerd moet worre!' [Het is een slecht vooruitzicht als je geopereerd moet worden]. In deze betekenis kennen wij ook 'erger' en 'ergste', die kunnen worden vervangen door 'kôier' en 'kôiste': - dees is nog ne kôieren tillevizie as die we uerst hadde!' [Dit is nog een slechtere televisie dan die we eerst hadden] en - in ut kôiste geval zakte vur oe exame.' [In het slechtste geval zak je voor je examen.]
Als bijvoeglijk naamwoord hebben wij in het dialect twee versies, namelijk een voor onzijdige en vrouwelijke woorden, -un koai paerd- en -un koai vrouw- en een voor mannelijke woorden, - unne kôien hond - en - unne kôie’n oap -. Ook zelfstandig gebruikt, blijft dit verschil bestaan: - dae vrouwke is un koai - en - dieje vent is unne kôie -. Het woordje ‘koad’ wordt uitsluitend gebruikt als bijwoord en nooit als bijvoeglijk naamwoord: - *un koad paerd - bestaat dus niet, maar wél - Peer stótte zun pilske'n um en hij wier me toch koad, jonge!- [Peter stootte zijn biertje om en hij werd me toch boos, jongen!]
Van het Nederlandse woordje ‘enig’ hebben wij in ons dialect ook een overtreffende trap: - ut innigste daettie goehd ken, is de zaak ánt schijte brenge!’ [Het enige dat hij goed kan, is de boel verzieken!] en - volleges mehn was Harrie toch innigst keind.' [Volgens mij was Harrie toch enig kind].
Een veelgehoorde uitspraak wanneer je de ander gelijk geeft omdat de discussie toch nergens toe leidt, is 'gij d’n dikste'. Aangezien -d’n- terug moet slaan op een mannelijk woord, is het niet moeilijk te raden over welk lichaamsdeel het hier gaat.
Maak jouw eigen website met JouwWeb