G Voornaamwoorden
G1 Persoonlijke voornaamwoorden.
In tegenstelling tot ons dialect, vormen persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden het laatste bastion tussen mannelijk en vrouwelijk in het Nederlands. We kunnen de persoonlijke voornaam-woorden onderverdelen in drie personen enkelvoud en drie personen meervoud en verder in de zogenaamde ‘volle’ of ‘gereduceerde’ vorm. De eerste vorm wordt vooral gebruikt in schrijftaal of wanneer de bedoelde persoon met nadruk wordt genoemd en de tweede vooral in spreektaal of zonder nadruk. Hier volgt een opsomming van persoonlijke voornaamwoorden als zij het onderwerp zijn van de zin.
Vol Gereduceerd
- Enkelvoud ik/ikke* ‘k
- gij ge
- hij/zij ie/ze/se
- Meervoud wij/(wellie) we
- gullie ---
- zij/(zullie) ze
*De vorm ‘ikke’ wordt in ons dialect veel vaker gebruikt dan in het Nederlands. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt in combinatie met de woordjes ‘wael’ en ‘nie’:
- - Hij was niks muuhg, maer ikke wael. [Hij was helemaal niet moe, maar ik wél.]
- - Hij was muuhg, maer ikke nie.
- - Hé môtje, nie vurkruype; ikke’n urst! [Hé vriend, niet voordringen; ik ben eerst!]
De vorm ‘gij’ wordt zowel gebruikt voor ‘jij’ als voor ‘u’, want deze laatste vorm bestaat niet in het Brabants. Vergelijkbaar dus met het Engelse ‘you’, dat dit onderscheid met een beleefdheidsvorm ook niet kent.
Vervolgens nog zo’n rijtje, maar dan voor de vormen als het persoonlijk voornaamwoord niet het onderwerp is.
Vol Gereduceerd
- Enkelvoud mij me
- öoew oe
- hum/heur um/dur/ur
- Meervoud ons ---
- jullie/öllie ---
- hun ze
De vorm die hoort bij ‘gij’ wordt ‘öoew’ of ‘oe’, afhankelijk van de nadruk: - Ja maenneke, ik heb ut tege’n öoew! [Ja jongen, ik heb het tegen jou!] tegenover - Sorry wefke, ik zag oe hummel nie stôn. [Sorry mevrouw, ik zag u helemaal niet staan,]
Let op dat ‘gullie’ verandert in ‘jullie’ als het geen onderwerp is: - Gullie dôcht van nie, maer wij hadde jullie allang gezien!” [Jullie dachten van niet, maar wij hadden jullie allang gezien!]
G2 Vragende voornaamwoorden.
Voor het Nederlandse ‘wie’ en ‘wat’, hebben wij ‘wie’ en ‘wá’ en ‘wat voor’ wordt in het Vallekeswirds samengetrokken tot ‘wávvur’: - Wávvur dinger zen dae toch? [Wat voor dingen zijn dat toch?]
Verder kennen wij in ons dialect ook de samentrekkingen van ‘wat een’ en ‘hoe een’ om te gebruiken in een vragende zin. Dit levert respectievelijk ‘wán’ en ‘hoen’ op voor onzijdige en vrouwelijke woorden: - Wán ijsje hedde gij gevat? [Wat voor ijsje heb jij uitgezocht?] / - Hoen tôffel hadde gullie? [Wat voor tafel hadden jullie?].
In de categorie van mannelijke woorden hebben we 'wánne' en 'hoene', plus weer twee extra vormen voor woorden die beginnen met -h, -t, -b, -d of een klinker; - wánnen/wánne’n- en - hoenen/ hoene’n-:
- - Wánne slome, dieje neye vrijer van Mias. [Wat een sulletje, die nieuwe vriend van Mia.]
- - Wánne’n ôrrige kumter nou um un plintetraepke vroage? [Wat voor rare snuiter komt er nou om
- een plintentrapje vragen?]
- - Hoen kleur fietske wilde hebbe? [Wat voor kleur fiets wil je hebben?]
- - Hoenen hoehd hai Máxima op? [Wat voor hoed had Máxima op?]
- - Hoene'n óllie gebrökte gullie? [Wat voor olie gebruiken jullie?]
(De Brabantse vormen van de samentrekkingen van ‘wat een’ komen ook voor in zinnen die geen vraag zijn: - Wán spul wónt doar toch! [Wat een klootjesvolk woont daar toch!] / - Wanne kaehrel; doar bledde mee lache! [Wat een leuke man; daar blijf je mee lachen!])
Het woordje ‘waellik’ gebruiken wij voor onzijdige woorden (ut) en verkleinwoorden: - Waellik paerd is ut rapste? [Welk paard is het snelst?] en - waellik pilske is van öoew? [Welk biertje is van jou?]
'Waellike' wordt gebruikt voor zowel vrouwelijke als mannelijke woorden: - Mee waellike meid gôdde gij danse?” [Met welk meisje ga jij dansen?] of - waellike vent doe dae nou?” [Wat voor man doet nou zoiets?]
Bij de mannelijke woorden gelden dezelfde uitzonderingen als hierboven en krijgen we -waelliken /waellike’n: - Waelliken taart vende gij ut laekkerste? [Welke taart vind jij het lekkerst?] en - in waellike’n emmer zit de maellik? [In welke emmer zit de melk?]
G3 Aanwijzende voornaamwoorden.
Bij deze voornaamwoorden wordt in het Nederlands in het enkelvoud een onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde ‘het-woorden’ en ‘de-woorden’.
- -- Het paard/ het meisje krijgen ‘dit’ voor dichtbij en ‘dat’ voor veraf.
- -- De bloem/ de tafel krijgen ‘deze’ voor dichtbij en ‘die’ voor veraf.
- Omdat ‘het’ in het meervoud niet voorkomt, vervalt dit verschil daar:
- -- De paarden/ de bloemen krijgen ‘deze’ voor dichtbij en ‘die’ voor veraf.
Ook in het Vallekeswirds maken wij in het enkelvoud een verschil tussen ‘het-woorden’ en ‘de-woorden’.
- (het) -- ut paerd/ut maeske krijgen ‘dees’ voor dichtbij en ‘dae’ voor veraf.
- (de) -- de bloem /de tôffel krijgen ‘dees’ voor dichtbij en ‘die’ voor veraf.
(Het aanwijzend voornaamwoord ‘dit’ kennen wij in ons dialect dus niet, maar onder invloed van het Nederlands hoor je tegenwoordig helaas steeds vaker het niet bestaande *‘di’: “hoe werrikt di ding?”)
- Bovengenoemde ‘de-woorden’ zijn echter allebei vrouwelijk, omdat we weer apart moeten kijken naar de mannelijke woorden. De muur/de stoel krijgen ‘deze’ voor dichtbij en ‘dieje’ voor veraf: deze muur, dieje stoel. Als deze mannelijke zelfstandige naamwoorden beginnen zij met -h, -t, -b of -d, dan wordt een -n toegevoegd: dezen taart, diejen bak. Beginnen zij met een klinker, dan wordt -’n toegevoegd: deze’n auto, dieje’n emmer.
- In het meervoud vervalt het onderscheid tussen de geslachten en wordt voor dichtbij in alle gevallen 'dees' gebruikt en voor veraf 'die'.
In tabelvorm ziet het er dus zó uit:
dichtbij veraf
- - onzijdig dees dae
- - vrouwelijk dees die
- - mannelijk deze dieje
- dezen diejen
- deze'n dieje'n
- meervoud dees die
Voor ons dialect geldt dat het woordje ‘zulk(e)’ niet bestaat. Alle zelfstandige naamwoorden krijgen ‘zun’ of een verbuiging daarvan:
- -- Mee zun weer kende nie gôn. (onzijdig) [Met zulk weer kun je niet gaan.]
- -- Zun tôffel hebbe wij thuis ók. (vrouwelijk) [Zo’n tafel hebben wij thuis ook.]
- -- Zunne goeie hebbe wij nog nie gehad… (mannelijk) [Zo’n goeie hebben wij nog niet gehad.]
- -- Zun mense deugen nie. (meervoud) [Zulke mensen deugen niet.]
G4 Bezittelijke voornaamwoorden.
- In tegenstelling tot het Nederlands is de lijst van bezittelijke voornaamwoorden in het Vallekeswirds zeer uitgebreid. Dit komt enerzijds doordat wij in ons dialect onderscheid maken tussen vrouwelijke en mannelijke woorden en anderzijds omdat die laatste categorie is opgesplitst in drie vormen.
- De eerste kolom is de vorm mét nadruk (mijn/zijn/haar) en de tweede zónder (m’n/z’n/d’r). De derde kolom geeft de vormen weer als zij zelfstandig worden gebruikt (de mijne/de onze).
- Bij mannelijke woorden die beginnen met -h. -t, -b of -d, komt een extra -n en als zij beginnen met een klinker, komt -‘n.
[ o = onzijdig / v = vrouwelijk / m = mannelijk]
- Ik mehn boek (o) mun boek ut mehn
- mehn vaas (v) mun vaas de mehn
- menne stoel (m) munne stoel de menne
- mennen taart (m) munnen taart de menne
- menne’n auto (m) munne’n auto de menne
- gij öoew boek oe boek ut öoew
- öoew vaas oe vaas de öoew
- öwe stoel oewe stoel d’n öoewe
- öwen taart oewen taart d’n öoewe
- öwe’n auto oewe’n auto d’n öoewe
- hij/zij zehn/heur boek zun/dur boek ut zehn/heur
- zehn/heur vaas zun/dur vaas de zehn/heur
- zenne/heure stoel zunne/durre stoel de zenne/heure
- zennen/heuren taart zunnen/heuren taart de zenne/heure
- zenne’n/heure’n auto zenne’n/heure’n auto de zenne/heure
- wij/wellie ons boek * ut ons
- ons vaas de ons
- onze stoel d’n onze
- onzen taart d’n onze
- onze’n auto d’n onze
- gullie öllie boek ut öllie
- öllie vaas de öllie
- öllieje stoel d’n öllieje
- ölliejen taart d’n öllieje
- öllieje’n auto d’n öllieje
- zij/zullie hun boek ut hun
- hun vaas de hun
- hunne stoel d’n hunne
- hunnen taart d’n hunne
- hunne’n auto d’n hunne
* Van het bezittelijk voornaamwoordje ‘ons’ kennen wij wel een samentrekking met het volgende woord, wanneer het gaat om vrouwelijke familieleden of vrouwennamen: smoeder, zoma, sMiek en zEvy.
Een van de meest ondoorgrondelijke Brabantse uitspraken voor mensen die geen dialect spreken, is toch wel: ólliedegulliedunölliejenók? Toegegeven, het is beetje een gekunstelde spreuk, maar iedereen die onze streektaal beheerst, weet dat hier wordt gevraagd: - oliën jullie die van jullie ook?
G5 Betrekkelijke voornaamwoorden.
Dit zijn woorden die twee zinnen met elkaar verbinden en terugslaan op iets of iemand die al werd genoemd. In het Nederlands gebruiken we ‘dat’ voor ‘het-woorden’ en ‘die’ voor ‘de-woorden’ en het meervoud, aangezien ‘het’ daar niet bestaat.
- -- Het paard dat daar staat, is van Sinterklaas.
- -- De bloem die hier groeit, heb ik zelf gezaaid.
- -- De bladeren die hier liggen, moeten worden opgeruimd.
Voor ‘het-woorden’ heeft het Vallekeswirds ‘dae’ en voor ‘de-woorden’ en het meervoud ‘die’.
- -- Ut paerd dae doar sti, is van Sinterkloas.
- -- De bloem die hier groeit, heb ik zaehluf gezaeid.
- -- De blaar die hier ligge, moete worre opgerömd.
Wanneer het betrekkelijk voornaamwoord terugslaat op een zin, moet je in het Nederlands officieel het woordje ‘wat’ gebruiken: Marie zei dat ze niet kon komen, wat ik wel snap.
- Dit kennen wij ook, maar wij gebruiken dan eerder ‘en dae’ in plaats van ‘wá’:
- -- Marie zee daesse nie kon kômme, wá ik wel snap.
- -- Marie zee daesse nie kon kômme en dae snap ik wel.
G6 Wederkerende en wederkerige voornaamwoorden.
Wederkerende voornaamwoorden verwijzen terug naar het onderwerp van de zin en worden in het Nederlands gevormd door woorden als me(zelf), je(zelf) zich(zelf) en ons(zelf): -ik praat tegen mezelf, -wij zien ons(zelf) zo al op het podium staan en -Peter ziet zich(zelf) in de spiegel. De vormen met de toevoeging -zelf hebben meer nadruk dan de verkorte vorm.
In het Vallekeswirds wordt als wederkerend voornaamwoord ‘aeige’ gebruikt in plaats van -zelf:
- -- Nondepie nônnietoe, ik verslikte mun aeige! [Verdorie toch, ik verslikte me!]
- -- Gij moet oe aeige is nie zu druk moake! [Je moet je eens niet zo druk maken!]
- -- Hij stón zun aeige nog te schere. [Hij was zich nog aan het scheren.]
- -- Wij gôn ons aeige nie hôste. [We gaan ons niet haasten.]
- -- Gullie moest oe aeige schoame! [Jullie moesten je schamen!]
- -- Ze ginge zun aeige urst doese. [Ze gingen zich eerst douchen.]
Omdat in ons dialect bijna uitsluitend met het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ naar vrouwen wordt verwezen, komt dit ook hier tot uitdrukking:
- - Ik stôn allang kloar, maer ons vrouw moes zun aeige uerst nog opmoake.
- [Ik stond allang klaar, maar mijn vrouw moest zich eerst nog opmaken.]
- - Dae maeske moes zun aeige goehd vahsthaoewe án ut klimrek.
- [Dat meisje moest zich goed vasthouden aan het klimrek.]
De vrouwelijke vorm ‘dur’(aeige) bestaat wel, maar wordt door ware dialectsprekers zelden of nooit gebruikt.
Bekendste uitspraak met een wederkerend voornaamwoord is toch wel: -“as ge oew aeige nie kietelt, hoefde nooit te lache!”
Over de wederkerige voornaamwoorden, die aangeven dat twee of meerdere personen een wederzijdse handeling verrichten, kunnen we kort zijn: in ons dialect bestaat er maar één: ‘mekaar’ (of als uitspraakvariant ‘mekoar’).
- -- Ik zee tege’n um dae we mekaar nog moeze sprehke.
- [Ik zei tegen hem dat we elkaar nog moesten spreken.]
- -- Ut was al nun hullen tehd geleje daese mekaar gezien hadde.
- [Het was al een hele tijd geleden dat ze elkaar hadden gezien.]
Een aparte betekenis in dit geval is: -‘van mekaar af zen’, wat inhoudt dat mensen gescheiden zijn. De klemtoon valt hier op het woordje 'mekaar'.
Maak jouw eigen website met JouwWeb